HET GEBED VAN DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN

Tekst van het GebedDit gebed vindt zijn oorsprong in Amsterdam in 1951. Sinds die tijd heeft het vele malen het Imprimatur gekregen.

Na overleg van de plaatselijke bisschop met de Congregatie voor de Geloofsleer (2006) betreffende het gebed, keurde de Congregatie de tekst van het gebed goed met de aanwijzing om de oorspronkelijke zinsnede “die eens Maria was” te veranderen in: “de heilige Maagd Maria”, vanwege de mogelijkheid van verkeerd verstaan.

Het Gebed van de Vrouwe van alle Volkeren vormt samen met haar Beeltenis de kern van de Boodschappen. De Vrouwe van alle Volkeren roept ons op dit korte maar machtige gebed minstens eenmaal per dag te bidden.

“Gij zult nog veel meemaken in deze eeuw. Gij, volkeren van deze tijd, weet toch dat gij staat onder de bescherming van de Vrouwe van alle Volkeren. Roept haar aan als Voorspreekster, vraagt haar om alle rampen af te wenden. Vraagt haar, de verwording uit deze wereld te verbannen. Van verwording komen rampen, van verwording komen oorlogen. Gij zult door mijn gebed vragen dit van deze wereld af te wenden. Gij weet niet hoe groot en hoe voornaam dit gebed is bij God. Hij zal zijn Moeder verhoren als zij wil zijn uw Voorspreekster.” (31 mei 1955)

DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN ZEGT HET GEBED VOOR DE EERSTE KEER VOOR

Reeds in haar allereerste boodschap op 25 maart 1945 spreekt de Vrouwe over haar GEBED, alsof het al bekend is. “Het gebed moet verspreid worden,” zo luidt haar wens.

Maar pas zes jaar later mag de zieneres tijdens een bezoek in Duitsland op de feestdag van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, 11 februari 1951, op indrukwekkende wijze uit de mond van de Vrouwe dit gebed vernemen. Zoals reeds vermeld, gebeurt dit terwijl de zieneres in een profetisch visioen het toekomstige Tweede Vaticaans Concilie ziet. Dit feit alleen al maakt duidelijk dat dit trinitaire gebed van universele betekenis is.

In haar boodschap doet Maria allereerst de oproep: “Laat toch allen weer terugkomen tot het kruis, dan alleen kan er vrede en rust zijn.”(11-2-1951)

En dan schrijft Ida: “Terwijl ik nog met de Vrouwe voor het kruis sta, zegt zij: ‘Zeg mij na.’ Dat is voor mij wel even vreemd; ik denk: ik zeg toch alles na wat zij mij voorzegt! Maar ineens zie ik dat de Vrouwe nog mooier wordt dan zij al is. Het licht dat zij altijd om haar heen heeft, wordt veel heller en scherper, zodat je er bijna niet in kan kijken. Haar handen, die zij altijd omlaag houdt, brengt zij naar omhoog en tegen elkaar. Haar gezicht wordt zo hemels, zo verheven, dat kun je gewoon niet navertellen. Haar gestalte wordt nog doorzichtiger en zo mooi dat ik er in verrukking naar kijk. Dan zegt de Vrouwe:

‘Bid toch voor het kruis:

HEER JEZUS CHRISTUS,

ZOON VAN DE VADER,

ZEND NU UW GEEST OVER DE AARDE.

LAAT DE HEILIGE GEEST WONEN

IN DE HARTEN VAN ALLE VOLKEREN,

OPDAT ZIJ BEWAARD MOGEN BLIJVEN

VOOR VERWORDING, RAMPEN EN OORLOG.

MOGE DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN,

DIE EENS MARIA WAS,

ONZE VOORSPREEKSTER ZIJN.

AMEN. ’

De Vrouwe spreekt dit gebed zo mooi en indrukwekkend uit, dat kan geen mens ter wereld nadoen. Zij benadrukt het woord ‘nu’ in ‘zend nú Uw Geest’ en ‘alle’ in ‘laat de Heilige Geest wonen in de harten van álle volkeren’. Het woord ‘amen’ spreekt zij ook zo mooi en zo plechtig uit. Ik sta nog steeds voor het kruis en heb dat gebeden en nagesproken, deze woorden die de Vrouwe mij voorzei. Het is alsof ze in mij geprent staan. Ik zie het nu in grote letters geschreven staan.”

En dan gaat de Vrouwe verder met de boodschap: “Kind, dit is zo eenvoudig en kort, dat ieder in zijn eigen taal het kan zeggen voor zijn eigen kruis. En die geen kruis hebben, zeggen het voor zichzelf. Dit is de boodschap die ik juist vandaag wil zeggen, omdat ik nu kom zeggen, dat ik de zielen wil redden.”

DIE EENS MARIA WAS

Kort, helder en klaar legt de Vrouwe reeds op 2 juli 1951 uit: “‘Die eens Maria was’ betekent: vele mensen hebben Maria als Maria gekend. Nu echter wil ik, in deze nieuwe periode die aankomt, de Vrouwe van alle Volkeren zijn. Dat verstaat iedereen.”

“Vele mensen” – eigenlijk de meeste volkeren van destijds en van nu – “hebben Maria”, de moeder van Jezus, feitelijk alleen “als Maria gekend” (2-7-1951) en haar zo genoemd. Dat moet toegegeven worden. (Men bedenke dat slechts een zesde deel van de mensheid christelijk is!) Nu echter, “in deze nieuwe periode die aankomt” wil God dat al deze volkeren Maria niet slechts vrijblijvend bij haar naam noemen, maar haar als hun persoonlijke moeder leren aannemen en liefhebben en haar nu niet meer alleen Maria noemen, maar ‘mijn moeder’, ‘onze moeder’, zoals zij reeds in haar eerste boodschap in Amsterdam aankondigt: “Zij zullen mij ‘de Vrouwe’ noemen, ‘Moeder’.” (25-3-1945) Als ik echter niet alleen ‘Maria’ maar ook ‘Moeder’ zeg, dan verandert er daardoor iets essentieels in mijn persoonlijke relatie tot haar!

Desondanks is niet iedereen met deze simpele uitleg tevreden. Daarom beschrijft Maria in haar 41ste boodschap aan de hand van de H. Schrift, hoe het tot deze ‘verandering’ van de naam ‘Maria’ in de titel ‘DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN’ is gekomen. Deze verwijzing naar het evangelie moet vooral de theologen helpen.

“Zeg het volgende aan de theologen: Bij het kruisoffer kwam de Vrouwe. De Zoon zei tegen zijn Moeder: ‘Vrouwe, ziedaar uw zoon.’ De verandering kwam dus bij het kruisoffer. De Heer en Schepper koos uit alle vrouwen Mirjam of Maria om de Moeder te worden van zijn goddelijke Zoon. De Vrouwe werd zij bij het kruisoffer, de Medeverlosseres en Middelares. Dat werd door de Zoon aangekondigd terwijl Hij terugging naar de Vader. Daarom breng ik in deze tijd deze nieuwe woorden en zeg: Ik ben de Vrouwe van alle Volkeren, die eens Maria was. Zeg dit uw theologen. Deze woorden hebben voor de theologen deze betekenis.” (6-4-1952)

BENT U NIET ALTIJD MARIA?

Bijna iedereen die het gebed voor de eerste keer hoort of meebidt, houdt verrast op en vraagt zich net als destijds de zieneres en haar leidsman af: “U bént toch Maria, dat bent u toch altijd?”

Natuurlijk kan Maria altijd als ‘Maria’ worden aangeroepen, dat doen we immers ook als we de rozenkrans bidden en vele malen “wees gegroet Maria” herhalen. Maar de Vrouwe van alle Volkeren wil juist door deze formulering uitdrukken dat zelfs haar roeping een wonderbaar wordingsproces was. Het gaat dus steeds om dezelfde persoon, om Maria. Maar nu, in Amsterdam, wil zij “die eens Maria was”, op het hoogtepunt van haar medeverlossende roeping als ‘DE MOEDER, DE VROUWE VAN ALLE VOLKEREN’ worden aangesproken. Want ook Maria werd in de loop van haar leven wat zij voorheen nog niet was. Door haar FIAT werd zij – de Onbevlekte Ontvangenis vol van genade, de volslagen onbekende, eenvoudige Maria uit Nazareth – de Moeder van de goddelijke Zoon. Door haar lijden, in vereniging met haar Verlosser, werd de Moeder van Jezus vervolgens ook de Moeder, de Vrouwe van alle Volkeren en als zodanig wil zij nu, in onze tijd, erkend en door alle mensen bemind worden.

Alles hing af van haar instemming en trouwe medewerking – ook bij Maria! In dit verband kunnen concrete voorbeelden laten zien hoe de mens door de medewerking met Gods genade en door lijden rijpt tot degene waartoe God hem geroepen heeft:

“Moge de vader en patroon van de Kerk, die eens Jozef was, onze voorspreker zijn!”

Of met betrekking tot een heilige paus:

“Moge paus Pius X, die eens Giuseppe Sarto was, onze voorspreker zijn in de hemel!”

Toen de zieneres de diepere betekenis hiervan begrepen had, gaf zij aan mensen die er vragen over stelden, ter verduidelijking graag de volgende vergelijking: zoals het spelende meisje Beatrix reeds geroepen was om eenmaal koningin van Nederland te worden, zo werd Maria, die eens als onbekend, eenvoudig meisje in het onbeduidende Nazareth woonde, de Moeder, de Vrouwe van alle Volkeren.

DE MACHT VAN HET GEBED

“Gij zult nog veel meemaken in deze eeuw” (31-5-1955), zegt Maria. Maar zij belooft ons dat als we haar gebed bidden “daardoor de verwording, rampen en oorlog worden afgewend” (11-10-1953) en aan geestelijke verwarring een einde zal komen. Zij is direct als Vrouwe van alle Volkeren in onze tijd gezonden om “door dit gebed de wereld te mogen verlossen van een grote wereldcatastrofe.” (10-5-1953) Wat een grote macht heeft dit gebed!

In heldere bewoordingen beschrijft de Vrouwe de geestelijke toestand van onze tijd: “Nog is satan de vorst van deze wereld. Hij houdt vast wat hij kan. … De Vrouwe moest nu haar gebed brengen over deze satanse wereld. De Heilige Geest immers moet nog komen over de volkeren.” (4-4-1954) Als de Vrouwe van alle Volkeren is zij nu gezonden “om satan te verdrijven. … Gij echter zult mijn gebed, dat ik aan de wereld gegeven heb, bidden.” (31-5-1955) Dit gebed is dus het beslissende en machtige wapen in de strijd tegen satan. We bidden hierin immers heel concreet dat de Heilige Geest nu op dit ogenblik mag komen. En dan moet satan onmiddellijk wijken, hier en nu. We bidden niet zoals in een exorcisme: “Weg, satan!” of zoals in het gebed tot de aartsengel Michaël van paus Leo XIII:

“… drijf satan en de andere boze geesten, … door de goddelijke kracht in de hel terug.” Het gebed van Amsterdam doet ons veeleer van harte smeken: “Kom, Heilige Geest!” Want onze Moeder weet: waar de Heilige Geest, de Geest van Liefde heerst, is geen plaats meer voor de anti-geest en zij, die “als Voorspreekster … nu in deze bange tijd” staat, (31-12-1951) “zal de wereld vrede mogen brengen.” (11-10-1953)

VERSPREIDING

Zoals een missionaris die alle zielen wil redden, zo maakt de Vrouwe ons reeds in de eerste verschijning haar hartenwens kenbaar: “Het gebed moet verspreid worden.” (25-3-1945)

Want zij kent Gods reddingsplan voor de mensheid: “Dit gebed is gegeven voor de verlossing van de wereld. Dit gebed is gegeven voor de bekering van de wereld.” (31-12-1951) En daarom vraagt zij ons: “Verspreid dan mijn gebed, het gebed van de Heer.” (31-5-1957)

Aan iedereen die meewerkt aan de verspreiding van het gebed wil zij kracht en sterkte schenken en geeft zij de verzekering: “Ik zal ze helpen.” (15-11-1955) Ida is de eerste die deze opdracht krijgt: “Doe uw werk en zorg voor de verspreiding.” (31-12-1951) “Werk alleen daarvoor en help geestelijk en lichamelijk door het gebed te zeggen van de Vrouwe van alle Volkeren!” (17-2-1952)

Maria gebruikt opnieuw het beeld van de sneeuwvlokken, om de zieneres te leren dat het gebed overal moet worden gebeden. “Ik zie de aardbol ronddraaien onder haar voeten en overal vallen sneeuwvlokken in dichte massa neer. Dan zegt de Vrouwe: ‘Hebt gij dit gezien? Zo zal de Vrouwe van alle Volkeren gebracht worden over de wereld, van stad tot stad, van land tot land. Eén gemeenschap in het eenvoudige gebed zal het worden.’” (17-2-1952) “Ik wil dat dit [de verspreiding] gedaan wordt in vele talen” (4-3-1951) en dat het gebed ook gebracht wordt “… naar die landen waar het geloof afgenomen is.” (15-4-1951) Want: “De Vrouwe van alle Volkeren is niet bestemd voor één land, voor één plaats, maar is bestemd voor de wereld, de volkeren.” (11-10-1953) “Zij hebben allen het recht daarop.” (29-4-1951) Derhalve valt de uitdrukkelijke wens van de Moeder van alle Volkeren te begrijpen, dat haar gebed “zal gebeden moeten worden in alle kerken”. (8-12-1952) “In de kerken en door moderne middelen zal dit gebed verspreid worden.” (31-12-1951) Ja, de christenen “zullen mijn gebed voor verwording, rampen en oorlog bidden en brengen onder alle volkeren.” (11-10-1953) Niet in de laatste plaats verwacht de Vrouwe van alle Volkeren van hen die zich voor de verbreiding inzetten, dat zij dit snel, met grote ernst en vol ijver en vuur zullen doen, want uiteindelijk werken zij “voor deze zaak, die de Zoon wil dat geschieden zal.” (29-4-1951)

Bron: P. Paul Maria Sigl, “Die Frau aller Völker ‘Miterlöserin Mittlerin Fürsprecherin'”, 1998.

Meer informatie over het gebed gegeven door de Vrouwe van alle Volkeren kunt u vinden op de website van de Familie van Maria.